Ga verder naar de inhoud

Interview vrijwilliger mossenwerkgroep Josse Gielen

Elke maand komt de Mossenwerkgroep van LIKONA samen in een van de labo’s van het PNC. Met binoculairs en determinatietabellen verdiepen de leden zich er in de wondere wereld van de mossen. We spraken met Josse Gielen, aanspreekpunt van de werkgroep, voor een woordje uitleg.

Josse, kan je ons vertellen hoe de Mossenwerkgroep te werk gaat?

Josse: “We onderzoeken en inventariseren vooral Limburgse blad- en levermossen. Dat levert geverifieerde gegevens op over de verspreiding van soorten. Af en toe trekken we ook over de provinciegrens om bepaalde soorten beter te leren kennen.

We houden onze organisatiestructuur bewust plat, omdat dat zorgt voor de nodige dynamiek. Ik fungeer als aanspreekpunt, maar alle werkgroepleden dragen bij aan het opstellen van de excursiekalender en het uitwerken van excursieverslagen.”

Vanwaar komt jouw interesse in mossen?

Josse: “Als kind was ik al gefascineerd door alles wat vliegt, zoemt en meebeweegt met de wind. Op een bepaald moment trokken mossen mijn aandacht. Het is een relatief onbekende plantengroep met een heel bijzondere leefwijze. Wist je dat mossen al zo’n 450 miljoen jaar bestaan en meerdere klimaatveranderingen hebben doorstaan? Ze zijn enorm veerkrachtig en komen bijna overal voor.

Dat komt omdat mossen geen wortels hebben, maar haarvormige structuren waarmee ze zich vlot vasthechten aan bodem, bomen of zelfs verharding. Bovendien kunnen hun sporen via de wind grote afstanden afleggen. De sporen van het slibmos Physcomitrella patens overleven een verblijf van negen maanden in de ruimte.

Mossen spelen een cruciale rol in ecosystemen. Ze koloniseren en stabiliseren de bodem en leggen zo mee de basis voor nieuwe ecosystemen. Ze houden water vast, fungeren als natuurlijke waterfilters en zijn belangrijk voor de opslag van koolstof. En wie heeft er nog nooit een vogelnestje gezien dat met mos is bekleed?”

Zijn mossen, net als korstmossen, indicatoren voor verontreiniging?

Josse: “Ja, al zijn ze minder gevoelig dan korstmossen. In vervuilde gebieden veranderen mossen van vorm en dichtheid, of verdwijnen ze volledig. De achteruitgang van onze leefomgeving is voor mij een ernstig probleem waarvan de impact nog te weinig wordt beseft. Onze werkgroep wordt daar bijna dagelijks mee geconfronteerd. We zien de stikstofminnende mossen alles overwoekeren en dikke pakketten vormen. De levermossen gaan in sneltempo achteruit. Daarom is het essentieel dat de verzamelde data ook effectief worden gebruikt, bijvoorbeeld ter ondersteuning van natuurbeleid en beheer.”

Heb je favoriete mossen?

Josse: “Zeker, veenmossen (Sphagnum) springen er voor mij uit. Dankzij speciale wateropnemende cellen kunnen ze water tot meters boven het grondwaterpeil vasthouden en regenwater opslaan. Zo vormen ze een soort spons die bovenaan blijft aangroeien terwijl het onderste deel afsterft. Dat afgestorven materiaal noemen we veen.

Veen en veenmos zijn bij ons zeldzaam geworden en komen enkel nog voor in erg kwetsbare milieus. Veen werd vroeger massaal afgegraven als brandstof, en vandaag vormen ontwatering en verdroging bijkomende bedreigingen.

Deze boeiende groep bladmossen spreekt ook het grote publiek aan en levert tal van ecosysteemdiensten, zoals CO₂-opslag en waterbuffering. Doorheen de geschiedenis waren er ook praktische toepassingen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd Sphagnum bijvoorbeeld gebruikt als alternatief voor katoen bij wondverzorging, omdat het uitzonderlijk veel vocht opneemt en bovendien een ontsmettende werking heeft. De Cree indianen gebruikten veenmos als pamper. Daarnaast werd veenmos ingezet als isolatiemateriaal. Vandaag wordt het vooral gebruikt als substraat in de tuinbouw en als decoratiemateriaal. Ik pleit er dan ook voor om meer aandacht te hebben voor de ecosysteemdiensten van veenmos — en van de natuur in het algemeen.”

Daarnaast heb ik ook een zwak voor het eirond knikkertjesmos. Jammer genoeg werd die soort niet weerhouden als Limburgse prioritaire soort, terwijl ze in Vlaanderen uitsluitend voorkomt in het Limburgse vijvergebied, en daar zelfs in grote aantallen. Wij spreken over vierkante meters per vijver, terwijl men in Nederland vaak niet verder komt dan enkele vierkante decimeters.”

Gerelateerde publicaties

De Werkgroep geologie (GEOLIM) van LIKONA heeft een nieuwe voorzitter, Bert Neyens. Dé ideale gelegenheid om bij Bert aan te kloppen en…
In het LIKONA-jaarboek verzamelen onderzoekers, vrijwilligers en studenten van de LIKONA-werkgroepen interessante artikels over…

Doe mee

Samen zetten we onze schouders onder een groene en duurzame provincie.